Berichten uit augustus 2010

De Oversteek

De Oversteek  

Woensdag de 18e augustus vertrekken we naar Porto Santo. De gribfiles voorspellen een flink aantal dagen met Noordelijke wind van zo’n 15 tot 20 knopen ( we hebben inmiddels ervaren dat dat wel 25 knopen zullen worden) dus dat ziet er goed uit.

Het is mooi weer, we zeilen rustig met halve wind en het eerste deel van de dag is dan ook helemaal puik. We beginnen gelijk met ons wachtschema van 3 uur op/ 3 uur af en ik kan dan ook heerlijk een boekje lezen in het zonnetje als ik geen wacht heb.

Aan het eind van de middag gaat de wind aantrekken en uit het westen waaien. Dat was niet beloofd! We kunnen zo niet meer zeilen want de kompaskoers naar Porto Santo is ongeveer 250 graden. De motor moet aan en we kunnen net de wind in het grootzeil houden. Tijdens de eerste nacht loopt de wind op tot zo’n 24 knopen. Er staat ook een gemeen korte en hoge golfslag in de Golf van Cadiz en we krijgen bakken water over het dek. Het is frustrerend om een tocht waar we ons zo op verheugd hebben zo te moeten beginnen. Verder vragen we ons af of we het wel zullen trekken als dit 4 dagen zo aanhoudt. Het komt wel eens vaker voor dat het weer zich niet aan de gribfiles houdt.

Als Gerard ’s avonds op zijn slaapplek in de kajuit gaat liggen ( in onze kooi hoor je de motor en de autohelm te veel) vallen er druppels naar beneden: het luik midden boven de kajuit blijkt te lekken. En als ik 3 uur later toch maar in onze kooi ga proberen te ‘slapen ‘ voel ik nattigheid aan het voeteneind: het zeewater lekt via de bakskisten onze kooi in! Eerlijk gezegd hebben we het op dat moment even helemaal gehad….

Gelukkig gaat de wind nog voor zonsopgang doen wat de gribfiles hadden voorspeld: langzaamaan komt hij meer uit de NW-hoek en als ik net met opgetrokken benen in mijn natte bedje lig hoor ik dat Gerard de motor uit zet en dat we kunnen zeilen. Wat een rust. De zee is nog wel erg hobbelig en we maken nog aardig klappen maar we zijn blij met deze kleine edoch belangrijke verandering in onze situatie.

In de loop van de donderdag draait de wind door naar het noorden en kunnen we halve wind varen. En vrijdags wordt het zelfs noordoost zodat we met een bakstagwindje van zo’n 20 knopen prima kunnen zeilen. Gerard rekent uit dat we met een gemiddelde vaart van 6,5 knoop zaterdagavond nog voor het donker in Porto Santo zullen zijn. Daar gaan we natuurlijk voor.

Wat voor ons spannend is aan deze tocht is of we wel in het ritme van 3 uur op/ 3 uur af kunnen komen. Het schijnt 2 à 3 dagen te duren voordat je je zodanig hebt aangepast dat je op andere tijden dan die je gewend bent kunt slapen. En ja hoor; na ongeveer 2 dagen merken we dat we iedere rustperiode toch zeker telkens een half uurtje wegzakken; ’s nachts zelfs langer.

Als we de Golf van Cadiz, waar alle scheepvaart van- en naar Gibraltar door gaat, gehad hebben wordt het wacht houden ook een stuk relaxter: nauwelijks nog grote schepen die je in de gaten moet houden. Eens in de 20 minuten bekijken we de plotter en de radar op mogelijke schepen en meestal is er niks te zien en kun je wat anders gaan doen. Tijdens mijn wacht van 11.00 tot 2.00 uur in de nacht van donderdag op vrijdag komen we één grote vrachtvaarder tegen. En, hoe is het mogelijk: deze zit precies op ramkoers! Uiteindelijk doen we allebei wat water bij de wijn; hij wijkt 10 graden uit en ik 15 graden en zo draaien we keurig om elkaar heen.

Helaas neemt de wind vrijdagavond af en de 12 tot 15 knopen die we dan nog krijgen zijn niet voldoende om ons gemiddelde van 6,5 knoop te houden. Omdat we toch wel graag nog zaterdagavond willen aankomen zetten we de motor bij. De zee is een stuk kalmer alhoewel je je nog steeds met 2 handen vast moet houden om geen onverwachte schuivers te maken in de boot. Ook moet je niet een aardbeienyoghurtje opentrekken en 1 seconde los op de navigatietafel laten staan: een klein hosje en de vloer, keukenkastjes en het plafond zitten vol roze smurrie. Ik wist niet dat er zoveel yoghurt in een bekertje zat!

Zaterdag. Zes knopen wind; niet eens genoeg om de gennaker te hijsen dus we motorzeilen verder  met genua en bezaan. Ineens maakt de motor een vreemd geluid: het lijkt alsof er wat in de schroef zit. Gerard zet hem meteen in z’n vrij en we kijken of er wat te zien is  aan de achterkant. In het heldere water zie je alleen het roer en verder zien we niks. Voorzichtig probeert Gerard een beetje gas vooruit en een beetje gas achteruit. Het klinkt eerst nog vreemd maar op een gegeven moment lijkt het in z’n vooruit weer redelijk normaal te klinken en we vervolgen onze reis rustig aan met wat minder toeren. Het lijkt zo goed te gaan en we zijn blij dat we verder kunnen.

Zaterdagmiddag krijgen we land in zicht. Wat een klein eilandje; we weten dat het maar 41 km2 is maar in die grote lege zee is het wel piepklein.

Om 19.15 uur draaien we de box van de jachthaven in. Als Gerard achteruit slaat om aan te leggen loopt de schroef vast: hij wil niet meer voor- of achteruit. Met veel gezeul en hulp van een Portugees,  die er niks van begrijpt waarom we zo aan het stuntelen zijn, krijgen we de boot op z’n plaats.

Als Gerard even later onder het schip gaat kijken blijkt dat er een hemelsblauwe lijn helemaal om de schroef gedraaid en gepluisd zit. Onze ‘touwsnijder’, die bij de schroef meedraait heeft in ieder geval wat werk gedaan maar ons niet kunnen behoeden voor deze ellende. Maar uit het feit dat we hiermee toch de haven hebben gehaald en niet midden op zee over boord hoefden concluderen we dat er nog steeds een engeltje op onze schouder zit J.

Rota revisited

We zijn weer terug. Na een “vakantie” van een dag of 10 aan Nederland zijn we terug in Rota. Vreemd genoeg voelt het inderdaad als thuiskomen van vakantie. De Windhorse van Steve en Linda ligt aan de ander kant van de haven en Martijn met de onfortuinlijke Rosy, waarvan de motor maar niet wil blijven lopen, ligt er ook nog gewoon.

In Nederland vroeg iedereen of het niet gek was terug te zijn. Nou nee: nog voor we in Utrecht aankwamen voelde het weer als vanouds. Drie en een halve maand zijn gewoon niet genoeg om een heel leven uit te poetsen. Het was natuurlijk wel een beetje vreemd om een soort van te gast te zijn in je eigen huis en op kantoor voelde het of ik er niet echt bij hoorde. Zo moet een emigrant of gastarbeider zich ongeveer voelen. Je bent op 2 plaatsen thuis en eigenlijk ook weer niet. Daar komt voor ons nog bij dat ons eigenlijke thuis nu de boot is. Een plek die iedereen associeert met vakantie.

Na een dikke drie uur opgevouwen te hebben gezeten in een Rijanair vliegtuig met jawel, ‘klappen na de landing’ maar nee, geen triomfantelijk  ‘we zijn weer op tijd muziekje’ omdat we (echt waar) een half uur te laat landen, waren we terug in de tropische hitte van Sevilla. Temperatuur viel mee 36 graden maar een luchtvochtigheid van 89% maakte het pas echt tropisch. We hadden voor één nacht een hotel geboekt in het centrum om de volgende dag nog wat van de stad te zien. Uiteraard zijn we ‘s avonds nog even de stad in gelopen om wat tapas te eten en een iced coffee van de Starbucks te drinken. Daarvan kreeg ik uiteraard weer een gierende koppijn (wanneer leer ik nou eens niet zo hard aan dat rietje te zuigen).

tapasbar

kathedraal

kathedraal

De volgende dag hebben we in de bloedhitte het koninklijk paleis bekeken alvorens we de bus terug namen naar Rota. Eén advies: ga niet in augustus naar Sevilla. Het is een prachtige stad maar in de zomer veel te heet.

busstation Sevilla

Eenmaal terug op de boot voelde het wel gelijk weer goed. s ‘Avonds zijn we bij de Windhorse langs gelopen om gedag te zeggen en uiteraard moesten we meteen blijven eten. Steve en Linda hadden ook ene Richard op bezoek een Amerikaanse computer programmeur die ook een geweldige Flamenco gitarist was en zich nu permanent in Rota had gevestigd. Een beetje vreemde vogel dat wel. De volgende dag zou hij Marianne en Linda naar de diverse supermarkten in het dorp rijden terwijl ik me op wat laatste klusjes op de boot zou storten. Helaas bleek er weer een heilige op het programma te staan in  Spanje en waren alle winkels dicht. Het feestdagen gemiddelde in Spanje moet toch dicht tegen de één per week liggen. De volgende dag daarom in de herkansing met een taxi.

s’ Avonds hebben we een bijna 70 jarige Amerikaan die zijn hele leven op een boot heeft gewoond voor het eerst zelf een visje zien fileren op zijn bord. We hadden Steve en Linda uitgenodigd voor een afscheidsetentje en Marianne had Roodbaars of zoiets gebakken, vers van een lokale visser. Steve beweerde dat dit voor het eerst was dat hij zijn visje zelf moest ontbenen. Helemaal zeker weet je het nooit met hem maar gezien zijn onhandigheid zou je het nog geloven ook.

De volgende ochtend, woensdag 18 augustus vertrokken we, na wat Spaanse chaos over de rekening, voor de 535 zeemijl (ongeveer 1000 kilometer) naar Porto Santo, een klein eilandje vlak bij Madeira.